De geschiedenis van het veen van de huidige gemeente Hoogeveen is beschreven vanaf 1551. Dat jaar kochten Reinold van Burmania en zijn vrouw de zogenaamde Meppense Venen, de zuidoostelijke helft van de gemeente. In 1625 ruilde Roelof van Echten een gebied ter grootte van 2000 morgen voor beloofde diensten en infrastructuur met de boeren van Steenbergen en Ten Arlo. Het gebied was ooit eigendom van de Heer van Ruinen. In 1631 werden beide gebieden bij elkaar getrokken en begon de eigenlijke geschiedenis van de vervening. Daarvoor werd de Algemene Compagnie van 5000 Morgen opgericht. Het afgegraven veen werd via een kanaal (de Nieuwe Grift, later de Hoogeveense Vaart genoemd) over het water naar Meppel en verder vervoerd. Dwars op dit kanaal werden op een afstand van 160 meter van elkaar kleinere kanalen gegraven, de zogenaamde wijken. Deze afstand was voor een arbeider nog doelmatig af te leggen met een kruiwagen vol turf. Zo ontstond een raster van elkaar kruisende kanalen. Door middel van nieuwe kanalen, de opgaanden, werden stelsels van wijken verderop in de venen eveneens aan de Hoogeveense Vaart gekoppeld. Straatnamen als 'Hollandscheveldsche Opgaande' en 'Zuideropgaande' herinneren aan die kanalen.

Hoogeveen werd in 1636 gesticht door Pieter Joostens Warmont en Johan van der Meer, Leidse investeerders, omdat de Leidenaren (Hollandsche Compagnie) na hevige conflicten met baron Roelof van Echten tot Echten besloten dat hun arbeiders zich permanent op hun venen moesten kunnen vestigen.[1] Op het belangrijkste kruispunt, het Kruis genaamd, vestigden zich ook al snel winkeliers, verveners, rentmeesters en ambachtslui. In het begin had de nieuwe plaats verschillende namen: Hooch Echten, Nieuw Echten en Echten's Hoogeveen. Iedereen sprak echter ook al van Hoogeveen, en die verkorte naam bleef behouden. In 1664 werd de overdracht van de grond onder het oudste deel van het dorp een feit. Tot dan was dat juridisch deel van de marke van Steenbergen en Ten Arlo. Hoogeveen bleef nog eeuwenlang een veenkolonie. In 1811 telde de gemeente 4794 inwoners, in 1840 waren het er 7339 en in 1874 10.763 inwoners. Pas aan het einde van de 19e eeuw werd turf minder belangrijk en schakelde de plaats over op landbouw en veeteelt en industrie. Dat kwam vooral door de opening van de spoorlijn Meppel-Groningen op 1 mei 1870. Bekende fabrieken van die tijd zijn de Coöperatieve Zuivelfabriek (tegenwoordig DOC Kaas), de blikfabriek Drenthina (later een onderdeel van het Thomassen & Drijver-Verblifa, tegenwoordig Ardagh Metal Packaging) en de conserven- en diepvriesfabriek Lukas Aardenburg (Iglo-producten), later een onderdeel van Unilever.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de meeste kanalen gedempt. Hierdoor ontstonden lange, brede, rechte wegen, ideaal voor verkeer. Onder andere Philips, Fokker en Standard Electric vestigden zich in de plaats. Ook richtte Jan Kip in 1947 Kip Caravans in Hoogeveen op. De economie kreeg een enorme impuls en Hoogeveen was enige tijd de snelst groeiende gemeente groter dan 20.000 inwoners van Nederland[2]. Om aan de enorme bevolkingsgroei te kunnen voldoen, werden er grote nieuwbouwwijken aangelegd. In de jaren tachtig was de grote groei er echter uit. In plaats van de eerder verwachte 100.000 inwoners rond 1990 stabiliseerde het aantal inwoners rond ongeveer 45.000. Door een gemeentelijke herindeling waarbij enkele dorpen aan de gemeente werden toegevoegd en de aanleg van de nieuwbouwwijk de Erflanden groeide het aantal inwoners later tot ongeveer 55.000.

Heden ten dage kenmerkt Hoogeveen zich als een plaats met veel stedelijke voorzieningen, die wegens het ontbreken in het landelijke gebied veelal in Hoogeveen zijn geplaatst. Hoogeveen telt een uitgebreid winkelaanbod en kent veel werkgelegenheid in de industrie. Hoogeveen kenmerkt zich als een stad met veel verschillende en gefragmenteerde kerkelijke stromingen.

Actuele informatie over Hoogeveen: zie www.krantvanhoogeveen.nl.

Wapen van Hoogeveen

 

Het wapen symboliseert de wat toen de belangrijkste inkomstenbronnen van de gemeente Hoogeveen waren namelijk turf en honing.
Het schild is zilverkleurig met in het midden een stapel bruine turven, op de stapel turven ligt groene stro.
Aan weerszijde van de stapel turf staat een bijenkorf van stro. Boven de bijenkorven vliegen bijen.
En er is een drie bladige kroon toegevoegd. Tussen de drie bladeren zijn twee parels geplaatst. De kroon is goudkleurig.